Ludy Schmidt
Als cadet op de Koninklijke Militaire Academie ontdekte Ludy Schmidt dat leidinggeven hem lag. Die ontdekking bracht hem uiteindelijk naar de top van de krijgsmacht: sinds het najaar van 2024 is hij plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten (PCDS).
Toch liggen zijn warmste herinneringen lager in de organisatie, met de poten in de klei. Als commandant van 45 Pantserinfanteriebataljon Regiment Infanterie Oranje Gelderland (45 Painfbat RIOG) gaf hij leiding op de manier die hem het meest is bijgebleven.
In deze aflevering van de Grombaard Podcast op https://stichtingjouwverhaal.nl/series/grombaard het relaas van luitenant-generaal Ludy Schmidt.
Ik maakte kennis met hem na afloop van het jaarlijkse Keti Koti-diner van Defensie. "Hé, met jou wil ik wel een podcast maken," hoorde ik mezelf tegen deze driesterrengeneraal zeggen. Hij stond op de boot van de krijgsmacht tijdens de Canal Parade van de WorldPride. En vijf dagen later zie ik hem achter mijn microfoon plaatsnemen, in zijn werkkamer op het ministerie van Defensie. KMA (Koninklijke Militaire Academie), opkomst 1985. In deze aflevering van de Grombaard Podcast: het verhaal van de plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten, PCDS, luitenant-generaal Ludy Schmidt.
Ludy Schmidt: Luitenant-generaal Ludy Schmidt, 66103123 [?]. Ludy.
Stefan: Een plaatsvervanger: wat zijn de kwaliteiten van een goede plaatsvervanger?
Ludy Schmidt: Ik denk dat hij honderd procent vertrouwen moet hebben in zijn baas. Dat hij volledig eerlijk moet zijn met zijn kritiek als de deur dicht is. Loyaal moet zijn, en ook moet aangeven waar zijn grenzen liggen. En idealiter heb je in mijn ogen een complementair karakter: dat je elkaar aanvult in plaats van elkaar versterkt.
Stefan: En waar kan het dan eventueel misgaan?
Ludy Schmidt: Als je geen complementair karakter hebt, blijft het heel smal. Dan is de kritiek heel beperkt, omdat je in dezelfde hoek zit. En het kan misgaan als het vertrouwen er niet is, en ook niet het absolute geloof dat je open en eerlijk bent. Dan ga je acties krijgen [?]. Kijk, Onno is nu vier weken weg. Ik neem alle besluiten. Alles. Zo hebben we dat ook met elkaar afgesproken. Als hij in het buitenland zit of met verlof is, dan doe ik alles. Hij moet erop kunnen vertrouwen dat ik het óf doe zoals hij het ook zou doen, óf contact met hem opneem — ook als hij met verlof is — van: "Dit is zo anders." Daar moet hij blind op kunnen varen.
Stefan: Je ziet het wel eens in het voetbal. Als een coach of trainer geschorst wordt omdat hij een rode kaart krijgt — volg je voetbal of niet [?]?
Ludy Schmidt: Nee.
Stefan: Dan mag de assistent het overnemen. En dan vraag ik me altijd af: laat de assistent dan iets van zichzelf zien? Van: "Nou, ik doe het even iets meer links, iets meer rechts"? Of denk jij altijd op de manier waarop Onno denkt?
Ludy Schmidt: Ik denk dat het heel verkeerd zou zijn als die assistent dat doet. Als hij zijn eigen team wil hebben, moet hij commandant worden. Dat kan, hè? Maar op het moment dat je als plaatsvervanger of waarnemer waarneemt, zit je in de richting waarin de baas zit. En als je daar iets van vindt, heb je dat van tevoren al tegen elkaar gezegd. En dan komt de baas tot een besluit. Kijk, dat is bij ieder bedrijf zo, niet alleen bij Defensie: there is only one. Je hebt een CEO, je hebt een baas van een werkmaatschappij. Dat is degene die uiteindelijk de besluiten neemt. En ja, ik ben de eerste adviseur van de CDS (Commandant der Strijdkrachten). Dat is ook zo. Wij praten heel veel dingen samen door. Soms ook niet, en dan is één blik genoeg.
Stefan: Gooi je je kont wel eens tegen de krib?
Ludy Schmidt: Er zijn wel dingen die ik anders zie dan de baas, jazeker.
Stefan: Maar hij beslist.
Ludy Schmidt: Hij beslist. En daar zit een grens aan op het moment dat het je ethisch of moreel gaat belasten. Dan moet je een ander gesprek [?] met elkaar hebben. Dat is met deze baas nooit voorgekomen; in andere functies wel. En dan is er een grens aan hoe ver jij denkt te moeten gaan, en waar het niet meer kan.
Stefan: En doe je dat dan in werktijd of buiten werktijd? Dat je zegt: "Ik moet even met je praten over wat je gisteren deed."
Ludy Schmidt: Allebei [?]: je doet het in werktijd en buiten werktijd. Maar Stefan, werktijd is in dit soort functies een relatief begrip.
Stefan: Ja, als je zegt dat je hier in vakantietijd al van half acht tot zes zit, dan wil dat wat zeggen.
Ludy Schmidt: Nou ja, en dan nog je avondprogramma. Gisteravond het plaatsvervangersoverleg. Dan heb je je huiswerk en je postboeken, die je 's avonds afdoet. En de voorbereiding voor de dag erna. Want je hebt een harde overlegagenda met twaalf of veertien afspraken. En er wordt wel verwacht dat jij in dat halfuurtje of uurtje begrijpt waar ze heen willen, de juiste vragen kunt stellen om diepgang te bereiken, en eindigt met een besluit, een oogmerk of een intent waarmee ze verder kunnen. Anders hoeven ze niet bij jou langs te komen.
Stefan: Zou je de baas willen zijn?
Ludy Schmidt: Op dit moment, in deze tijd en deze omstandigheden, is dat niet opportuun. Nee.
Stefan: Want?
Ludy Schmidt: Want op dit moment hebben we een koppel dat, denk ik, de krijgsmacht in deze tijd en deze groeiperiode op de goede manier voorwaarts drijft. Ik denk dat de CDS en ik de juiste verdeling hebben. Wat hij buiten allemaal doet, en daarmee ook voor Nederland doet — want zijn rol is veel groter dan alleen binnen Nederland. De brug die hij vormt als middenmacht in Europa, tussen de grote landen: dat doet hij uitstekend. En ik denk dat ik de binnenboel aardig in de hand heb. Dus die combinatie van ons, op dit moment in de tijd, is super.
Stefan: Is het in zo'n nauwe samenwerking, waarin je in principe dag en nacht bereikbaar moet zijn en met elkaar moet levelen, ik weet het allemaal niet... kun je dan spreken van vriendschap?
Ludy Schmidt: Ja. Kijk, ik zou willen spreken van kameraadschap. Nou ja, wacht even, Stefan.
Stefan: Zit daar verschil in?
Ludy Schmidt: Voor mij wel. Voor mij gaat kameraadschap verder dan vriendschap. Ik heb maten die, als ik ze nu bel, in Duitsland, in Leeuwarden of in Brussel in de auto stappen en me komen helpen als het nodig is.
Stefan: Ja, maar dat zegt elke militair.
Ludy Schmidt: Ja. Maar dat is ook zo. Pas als het misgaat — […], of in mijn geval met mijn moeder, wat dan ook — laten ze zien dat ze er echt zijn. Dus bij elke militair denk ik dat ze er ook echt zijn als het moeilijk is. Als het makkelijk is, is iedere vriendschap goed.
Stefan: Maar wat is Onno dan van jou? Een vriend of een kameraad?
Ludy Schmidt: Ja, allebei.
Stefan: Oké. Dus als deze functie ophoudt, of als hij uit zijn functie gaat, blijf je met elkaar in contact?
Ludy Schmidt: Ja, dat denk ik wel.
Stefan: Oké. Want het verschil tussen vriendschap en kameraadschap, wat ik dan bij jullie hoor, is dat je elkaar heel lang niet kunt zien. En als er dan een telefoontje komt, wordt er niet gevraagd: gaat het om de tuin, of om een lekke band? Je stapt in de auto en je gaat. Heb je dat wel eens gehad?
Ludy Schmidt: Ja.
Stefan: Op wat voor gebied dan?
Ludy Schmidt: Nou ja, op het moment dat er thuis iets misgaat en jij bent er niet — je bent op oefening, of in mijn geval ook een keer op uitzending. Waar kwam hij vandaan? Ik denk dat hij wel een uur moest rijden, van Breda naar Amersfoort, om daar dingen te doen voor mijn toenmalige vrouw.
Stefan: Oké. Waar kom jij vandaan?
Ludy Schmidt: Ik kom uit Maastricht.
Stefan: Oké. En wat is Maastricht voor jou? Wat betekent dat? Want je hoort het bijna niet. Gelukkig.
Ludy Schmidt: Nee. Weet je, als je wat over mijn geschiedenis wilt weten: van vaders- en moederszijde hadden de families allebei een eigen bedrijf. Het een wat kleiner, het ander wat groter. Daardoor hard werken, en sport, maar vooral hard werken.
Stefan: Wat voor bedrijf?
Ludy Schmidt: Het ene een groothandeltje in aardappelen, groente en fruit. Het andere meer ambulante handel in vis en visproducten.
Ludy Schmidt: Dus dat zijn mijn roots. Hard werken, ook in de zaak. En een moeder die tegen je zegt als je elf bent: "Nou jongen, de ene keer kom je wel meewerken, de andere keer niet. Doe je mee of doe je niet mee? Een van de twee. Ik vind het prima als je allemaal leuke dingen wilt doen, maar als je wilt werken, dan werk je." Op die manier. Maar daardoor ook: waar koos je dan voor?
Stefan: Waar koos jij dan voor? Werk?
Ludy Schmidt: In dat team, in dat gevoel van een familiebedrijf, was dat toen een makkelijke keuze. Dus twee familiebedrijven, maar wel een vader en moeder die heel lange dagen maakten, waardoor mijn zusje en ik tot ons twaalfde, dertiende door de week bij mijn grootouders [?] waren, met een eigen kamer. Van daaruit gingen we naar school, daar kwamen we terug voor de thee, daar deden we ons huiswerk. Dus dat was een hele stabiele situatie, ondanks twee werkende ouders die vol aan de bak gingen. Nou goed, en daarna de middelbare school. Ik was misschien wat idealistisch, met een heel sterk rechtvaardigheidsgevoel. Dus ik zocht naar iets meer dan het familiebedrijf. Het was het makkelijkst geweest om daar gewoon in te stappen, en prima hoor.
Stefan: Maar wat bedoel je met rechtvaardigheidsgevoel? Jij bent niet zo groot, net als ik. Dus als er gevochten werd, ging jij ertussen staan? Is dat het?
Ludy Schmidt: Ja, of ik deed mee.
Stefan: O, je deed mee.
Ludy Schmidt: Of ik nam het voor iemand op. Dat soort dingen overkwamen me dan.
Stefan: Oké. Militaire achtergrond nul, dus.
Ludy Schmidt: Nou, dat komt later. Dus met dat gevoel... De zus van mijn grootvader [?] had drie jongens, zo'n tien jaar ouder dan ik — ooms noemden we die. De jongste was tien jaar ouder, de anderen nog ouder. Die hadden allemaal in dienst gezeten of waren […] geweest. En de jongste — met dezelfde voornaam, overigens — was beroepsmilitair. Met hem en zijn vrouw had ik vroeger al goed contact. Op de een of andere manier was ik het kleinere broertje dat hij nooit gehad had, want hij was de jongste. En vooral over zijn twee periodes in Libanon hebben we best veel gesproken, ondanks dat ik nog heel jong was. Daar kwam een beetje de vonk vandaan: wat vind je daar dan bij Defensie? Wat is dat dan? Kameraadschap, uitdaging, avontuur, maar ook iets groters dan jezelf.
Stefan: Oké, en dat rechtvaardigheidsgevoel werd daardoor aangewakkerd [?]?
Ludy Schmidt: Ja, dat kwam daar naar voren. Kijk, zijn ervaringen in Libanon waren niet alleen maar vrolijk; er gebeurde van alles. Maar hij kon daar wel het verschil maken. Tenminste, dat was wat ik daar als jong mens uit haalde. En dat was wel een deel van mijn motivatie [?].
Stefan: Dus je hebt vwo gedaan, mag ik aannemen?
Ludy Schmidt: Ja.
Stefan: En toen naar de KMA?
Ludy Schmidt: KMA.
Stefan: Ben je dienstplichtig geweest?
Ludy Schmidt: Nee, rechtstreeks naar de KMA.
Stefan: Oké, want dat vraag ik me altijd af. Toen de dienstplicht er nog was, was dat een soort proefperiode waarin je eraan kon ruiken. Als je uit het midden- en kleinbedrijf komt, zou het ook kunnen doorslaan naar die vis. Dus dan ga je eerst eens kijken of het je aanspreekt als een kerel tegen je zegt "we gaan hier naar links" terwijl jij denkt "naar rechts". Maar als je je conformeert aan die KMA, ben je in één keer beroeps, toch?
Ludy Schmidt: Ja.
Stefan: Oké. En daar had je geen probleem mee?
Ludy Schmidt: Nee. Maar ik denk dat het besef in mijn omgeving er ook niet was dat ik niet terug zou komen. Ik ging niet studeren om daarna terug te komen. Het besef bij mij was er wel: dat ik daar mijn toekomst zocht.
Stefan: Ja. En vonden je ouders het niet jammer dat jij de zaak niet zou overnemen?
Ludy Schmidt: Ik denk dat mijn moeder het heel erg jammer vond. En dan de familie van vaderskant: mijn grootvader had nul affiniteit met het leger. In de oorlog is alles wat hij ooit had opgebouwd verloren gegaan. Hij is gedeporteerd naar Berlijn en heeft daar hele nare dingen meegemaakt. Heel raar, maar juist hij zei: "Jongen, dat moet je doen. Het is je droom." Terwijl hij helemaal niets militairs had. Toch steunde hij me erin. Dat is best bijzonder.
Stefan: Dan kom jij op de KMA. Sprak jij dan Limburgs zoals — hoe heet die man met die viool — André Rieu dat spreekt?
Ludy Schmidt: Nee, het accent was al ver weg. Aan moederskant werd Nederlands gesproken. Vaderskant is overigens opgegroeid met dialect. Ik praat ook dialect.
Stefan: Oké, kun je het nog?
Ludy Schmidt: Zeker.
Stefan: Zeg eens wat dan. [Limburgs], leuk dat je hier bent.
Ludy Schmidt: [Limburgs]. Welkom in mijn bureau.
Stefan: Oké. Als je daar bent, spreek je het dan? Gaat dat automatisch?
Ludy Schmidt: Met mijn zus spreek ik dialect.
Stefan: Oké. Ik zag op Facebook — want ik ben een beetje gaan kijken wie Ludy nou eigenlijk is — dat jij op een gegeven moment bevorderd werd door een of andere generaal. En daar stond je moeder naast.
Ludy Schmidt: Ik ben bevorderd door mijn moeder. Samen met Martin.
Stefan: Een hele broze vrouw, klopt dat?
Ludy Schmidt: Klopt.
Stefan: En komt dat door het harde werken?
Ludy Schmidt: Hard werken, en op een gegeven moment ziek. Overleefd, daarna weer ziek, en helaas uiteindelijk overleden [?].
Stefan: Oké. Wat doet dat dan met jou, als militair?
Ludy Schmidt: Nou goed, ik vond het heel fijn dat ze erbij kon zijn. Mijn moeder was eerst misschien wat sceptisch of kritisch, maar daarna mijn grootste fan.
Ludy Schmidt: En ze was heel trots. Dit was een emotioneel moment.
Stefan: Ja, want dan ziet ze haar beoogde opvolger — in haar ogen dan — die rangen beklimmen.
Ludy Schmidt: Ja, exact. Maar ze was al veel eerder om, een paar jaar na de KMA. De grote ommekeer, ook bij mijn vader, ten opzichte van mijn beroepskeuze kwam tijdens mijn eerste huwelijk. Op mijn eerste bruiloft was mijn allereerste dienstplichtige peloton er. Die waren al vier, vijf jaar de dienst uit, maar ze kwamen allemaal. Ze hebben met mijn familie gesproken, en mijn vader heeft een tijdje met mijn jongens gesproken. Daaruit kwam zijn overtuiging: "Ja, dat moet hij doen."
Stefan: Oké. Dat was je eerste peloton dat onder jouw leiding stond, als tweede luitenant of zo?
Ludy Schmidt: Zeker.
Stefan: Welk onderdeel was dat?
Ludy Schmidt: 41 Tankbataljon, in Duitsland.
Stefan: O, je bent tanker geweest.
Ludy Schmidt: Ik ben tanker geweest. En als je praat over belangrijke periodes in je leven, in je vorming als leider en vakman, dan was dat een hele belangrijke periode, in Duitsland. We hadden toen nog dienstplichtigen; de Muur stond nog. We waren vijf weken binnen, zeven dagen per week. Je had dienstplichtigen die je ontmoette en waarover je het bevel had, en je was echt prestatiegericht aan het werk. Professionaliteit en vakmanschap stonden in Duitsland hoog aangeschreven. Wedstrijdjes alom. En aan de andere kant had je dienstplichtige militairen met een sterfgeval thuis, een ongeluk met de auto, of een van die jongens die vastzat […] en die we dan gingen ophalen. Dus je was ook een beetje oudere broer, soms vader, soms moeder. Je leiderschap, je vakmanschap, maar ook de gemeenschapszin en de kameraadschap kwamen daar bij elkaar. En om het nog een keer te onderstrepen: een jaar of tien geleden had ik een aantal van die jongens nog op LinkedIn of Facebook, en ze vroegen of ik het leuk zou vinden als we een keer een reünie hielden. Nou, sinds tien jaar zien we elkaar ieder jaar één avond, in de bossen. We eten wat in de stal, drinken een biertje. En dan ben ik weer de luitenant [?].
Stefan: Hoe oud was jij toen je dat peloton aanvoerde?
Ludy Schmidt: 22, 23 jaar.
Stefan: En die kerels waren allemaal 18, 19?
Ludy Schmidt: 28, 30.
Stefan: Hoezo?
Ludy Schmidt: Nou, mijn eigen bemanning. Ik had een schutter, André Jacht [?], 28, doctorandus en ingenieur [?]. Ik had een afgestudeerde […] met wat extra jaren, omdat hij zich dat kon permitteren. Ik denk dat hij ook 25, 26 was. Dus een deel van die jongens was echt ouder dan ik.
Stefan: Oké. Voetbal deed je dus niet, maar deed je iets aan teamsport? Of was daar geen tijd voor?
Ludy Schmidt: Ik heb vroeger wel gevoetbald.
Stefan: Maar wie wilde er dan aanvoerder zijn? Stak kleine Ludy — niet dat je nu nog steeds klein bent, maar — kleine Ludy zijn hand op?
Ludy Schmidt: Niet in die tijd.
Stefan: Wanneer kwam dat leiderschap dan?
Ludy Schmidt: Na de KMA was het heel duidelijk, denk ik. Ik pakte dat vanzelf.
Stefan: En dat ging best goed. Wat vond jij toen, en wat vind je in het algemeen, fijn aan leiderschap?
Ludy Schmidt: Ik vind dat we die verantwoordelijkheid moeten willen dragen: verantwoordelijkheid voor wat eruit komt. En dat met een hoge norm. Ik druk dat wel eens uit als: hard met een d, maar wel met een groot hart met een t, voor je mensen. Die combinatie. Ik denk dat dat ergens daar in Duitsland gegroeid is. En dat is nu nog steeds zo, denk ik. Dat denk ik van mezelf.
Stefan: Want Duitsland was Seedorf, hè?
Ludy Schmidt: Nee, Bergen-Hohne.
Stefan: Ook Bergen-Hohne.
Ludy Schmidt: Daar hadden we ook nog wat zitten.
Stefan: Ja, oké. Maar wat voor mensen gingen daarheen? Daar moest je je toch voor inschrijven, of in ieder geval bereid zijn om naar Duitsland te gaan?
Ludy Schmidt: Nou, als beroeps naar Duitsland was denk ik voor iedere cavalerist de keuze die je het liefst had. Daar had je de beste spullen, de beste mensen, maar ook de hoogste norm om te halen.
Stefan: Oké. Maar werd je daar dan geconfronteerd met mensen die uiterst gemotiveerd waren, of zaten daar ook mensen die dachten: "Ik ben aan het aftellen. Nog veertien maanden, dan ben ik klaar"?
Ludy Schmidt: Die dienstplichtigen moest je wel motiveren. Want die waren daar niet vrijwillig.
Stefan: Hoe ging jou dat af? Eigenlijk best goed, als die jaarlijkse reünie dat bevestigt?
Ludy Schmidt: Voor mij wel. Ik was geen gemakkelijke baas, denk ik. Dat weet ik eigenlijk wel zeker; dat is ook de feedback die ik krijg. Maar ik was er wel altijd voor ze.
Stefan: Wat is dan een niet-makkelijke baas? Waar liggen jouw grenzen?
Ludy Schmidt: Nou ja, dat je eisen hebt waaraan je moet voldoen. En dat heeft echt te maken met hoe je als team het product levert waarvoor je staat. Dat kan zijn dat je ergens het gevecht moet voeren, of iets anders. Maar het moet wel voldoende zijn, want anders kunnen de gevolgen in ons vak echt groot zijn. En dat gold ook al voor dienstplichtigen.
Stefan: Oké. Dan een andere vraag. Ik ben altijd zo benieuwd of jongens van 17, 18 die naar de KMA gaan, dat doen om generaal te worden.
Ludy Schmidt: Nee, ik niet.
Stefan: Maar welk percentage heeft dat wel?
Ludy Schmidt: Weet ik niet, kan ik niet beoordelen. Er zullen vast mensen bij zijn die dat standaard op het rooster hebben staan. Kijk, voor mij was het die paraatheid in Duitsland. Het volgende doel was eigenlijk compagniescommandant, bataljonscommandant. En mijn einddoel, dat ik heel lang gehad heb, was brigadecommandant worden.
Ludy Schmidt: Alleen...
Stefan: En dan altijd in de tank?
Ludy Schmidt: Nee, nee, nee. Ik ben daarna ook commandant van een infanteriebataljon geweest. Dus misschien ben ik niet de stereotype tanker, maar dat is prima.
Stefan: Oké. Dus dan loop jij langzamerhand door de rangen heen?
Ludy Schmidt: Nou ja, na die parate periode, heel operationeel, was er denk ik een tweede spelbepalend moment. Ik zou daarna […]-commandant worden, dus jonge officieren opleiden. Dat was ook mijn droom; dat wilde ik graag. Solliciteren was toen niet zo, maar dat mocht ik worden. En vlak daarvoor moest ik bij de baas komen, bij mijn bataljonscommandant. Zegt hij: "Ludy, we gaan iets anders met je doen. We gaan dienstplichtige eenheden omvormen naar beroepseenheden. We stoppen met het mobilisabele deel. En we hebben iemand nodig die dat gaat doen. Dat ben jij."
Ludy Schmidt: Dat was geen vraag. En het was op dat moment denk ik duidelijk dat ik het daar niet mee eens was.
Stefan: Maar je voelde het ook niet als een compliment?
Ludy Schmidt: Helemaal niet als een compliment, nee. Op dat moment niet. Ik zag zelf de waarde er nog niet van. Maar na drie jaar daar, als hele jonge officier — zoveel impact hebben op mensen en de kwaliteiten van mensen, welke spullen daarbij horen, hoe je dan een operationeel concept krijgt, en dan zien hoeveel invloed ik daarop had gehad. Ik denk dat dat een bepalende verandering in mijn denken is geweest. Dus naast het operationele, wat ik daarna ook heb mogen doen — en dat is fantastisch, dat vind ik geweldig — is er ook steeds het omzetten van een visie in iets echts. Met mensen van vlees en bloed, en het ijzerwerk of de elektronica die daarbij hoort. Dat heb ik ook mogen doen. Even voor je beeld: dat was voor de cavalerie. Ik heb de verkenningsbataljons gereorganiseerd, de tankbataljons. Later ben ik hoofd Beleidsondersteuning [?] van de landmacht geworden. Daar mocht ik invulling geven aan de visie op de landmacht, en hoe we die zouden vormgeven met het geld dat we daarvoor kregen. En dat was beperkt.
Stefan: Dat was in de bezuinigingsperiode?
Ludy Schmidt: Net na de bezuinigingsperiode. Later ben ik hier directeur Plannen geweest. Toen mocht ik invulling geven aan de Defensievisie, en aan wat we als hele krijgsmacht, in alle breedte, mogen doen. En nu net weer de Defensienota 2026 [?]. Daar mocht ik natuurlijk als PCDS aan meedoen. Dus dat is zo'n lijn die zich naast het operationele helemaal heeft doorgetrokken.
Stefan: Maar waar haal jij die wijsheid vandaan?
Ludy Schmidt: Welke wijsheid?
Stefan: Nou, dat jij overal aan mee mag schrijven en overal richting aan mag geven. Ik weet het allemaal niet.
Ludy Schmidt: Nou ja, ik heb er niet op gesolliciteerd.
Stefan: Nee, tuurlijk. Maar mensen zien kennelijk wat in jou. Ondanks enig tegenstribbelen van jezelf geef je eraan toe, en na drie jaar zie je dat het goed is geweest. En dan weet je dat je bent opgevallen, en dat steeds meer mensen een beroep op je gaan doen qua visie.
Ludy Schmidt: Dat weet je op dat moment misschien nog niet; dat realiseer je je pas achteraf. Dat je daarin gegroomd bent, als ik het zo mag zeggen. Of dat je hebt laten zien dat je daar een talent of een competentie voor hebt, en dat je daarin verder kunt. Jij vraagt: waarom kun je dat?
Stefan: Nee: ben je zo'n slimme boy?
Ludy Schmidt: Wat moet je daar nou van jezelf op zeggen?
Stefan: Ben jij iemand die dat durft te zeggen?
Ludy Schmidt: Nou, nee. Weet je...
Stefan: Nou, ik heb op deze positie liever iemand die slim is dan iemand die de hele tijd vragend om zich heen kijkt: "Hebben jullie nog suggesties?"
Ludy Schmidt: Maar ik ben wel snel, dat is zo. Maar daar zit iets tussen, hè? En dat is misschien een derde lijn, als je zo naar mijn leven kijkt. Ik heb op de KMA gewerkt als commandant opleidingsbataljon, dus jonge cadetten opleiden, maar ook als docent op de faculteit. Ik heb op het IDL gewerkt, het Instituut Defensie Leergangen, waar ze de opleidingen voor het midden- en hoger management doen, als docent en als hoofd vakgroep Militair Operationele Wetenschappen. In die functies ben je ook bezig met theorie en met een stukje academische vorming. Ook voor jezelf: het beeld van de toekomst. Hoe gaan we straks vechten, en wat is dat dan eigenlijk? Wat gaat er veranderen? Welke impact heeft technologie? En hoe houden we de mens dan in de loop? Ik denk dat dat me helpt om te begrijpen welk concept toekomstbestendig zou zijn. Zo zit dat, ja.
Stefan: Dat doe jij — of doet men in de regel — niet in veertig uur.
Ludy Schmidt: Nee, dat klopt.
Stefan: Kun je een vluchtige schets geven van hoeveel uur dat in beslag neemt?
Ludy Schmidt: Ik denk dat de hoeveelheid uren door de jaren heen steeds meer is geworden. Kijk, dit is een hele grote baan. Het gaat van grote IT- of andere materieelprojecten tot de hele opschaling van de krijgsmacht en alle problemen die daarbij horen, tot en met de inzet van onze mensen in de Straat van Hormuz of elders. Dus dit is een hele grote baan. Door de week van half acht tot elf uur.
Stefan: Oké. Waarom staat hier dan geen bed?
Ludy Schmidt: Omdat ik naar de Frederikkazerne ga om daar te slapen.
Stefan: Je bent binnenslaper ook nog. Jezus, joh. Dat harde werken is ook ten koste gegaan van je eerste huwelijk, waar je het net over had.
Ludy Schmidt: Ook, ja. Ook.
Stefan: Er zullen vast andere dingen zijn geweest. Maar ik sprak gisteren — ik zal zijn naam niet noemen — een binnenslaper die 43 jaar gediend heeft en 40 jaar binnenslaper is geweest. En die zei, nadat zijn huwelijk gestrand was: "Ja, dat binnenslapen hielp niet."
Ludy Schmidt: Nee, het helpt zeker niet. Aan de andere kant moet je je realiseren dat ik nu al 26 jaar een relatie heb, en dat ik ook met haar getrouwd ben. Niet omdat we heel vroeg getrouwd zijn, maar omdat we op een gegeven moment wilden vieren hoe lang we bij elkaar waren. En dat we een gezin hebben, ook met mijn zoon uit mijn eerste huwelijk. En dat loopt uitstekend. Dus het kan wel. Maar binnenwonen is echt heel vervelend. Alleen is de reden wel heel valide. De reden is dat je je partner en je kinderen een plek wilt geven waar ze stabiel zijn, en ze niet de hele tijd door Nederland wilt slepen, zoals dat vroeger misschien wel het idee was. Dus een vaste school, een vaste vriendenkring. Een partner met een goede baan waar ze haar talenten kwijt kan. Dat is een hele moeilijke afweging. Hoe we daarmee omgaan — daar moeten we echt rekening mee houden. Als je nu kijkt bij de landmacht: hoe we proberen in ieder geval in de onderbouw die jongelui, de eerste acht tot tien jaar...
Stefan: Onderbouw is tot majoor, hè?
Ludy Schmidt: Ja, tot en met kapitein. Tot en met sergeant-1, sergeant-majoor, ergens in die hoek. Dat we ze daar op één legerplaats proberen te houden, zodat ze daar een leven kunnen opbouwen en in die jonge jaren in ieder geval wat stabiliteit hebben. Daar denken we nu veel meer over na. Vroeger was dat denk ik minder zo; jij hebt dat van de zijkant gezien. Dat doen we denk ik beter. Maar ook dan is dit een punt van aandacht waar we echt scherp op moeten zijn.
Stefan: Ja, want dat harde werken... Kijk, Gerard van Kuijck van Bronbeek woont ook binnen. Zijn vrouw komt naar hem toe; hij heeft daar natuurlijk wel een leuk optrekje. Maar je ziet aan de man dat hij, omdat hij 's avonds tijd heeft omdat hij alleen is, overdag meer tijd kan vrijmaken voor een babbeltje, een bakje koffie, om alles op Bronbeek drijvend te houden. Want hij weet: 's avonds ben ik alleen, er wordt weinig gebeld, en dan kan ik even doorstomen, om het zo maar te zeggen. Dat is wel weer het voordeel. Maar als je dan thuis bent, ga jij dan de ideale Ludy spelen of niet?
Ludy Schmidt: Ja. Nou, ik ben thuis wel een deel van het gezin.
Stefan: Nee, maar als je dan—
Stefan: Nee: papa, ben je altijd vrolijk? Want je bent maar een beperkt aantal uren op de thuisbasis, en daarna ga je weer weg en kun je weer jezelf zijn. Ben je altijd de vrolijke?
Ludy Schmidt: Ik ben thuis wel altijd vrolijk.
Stefan: Of ben je sowieso altijd vrolijk? Kan natuurlijk ook.
Ludy Schmidt: Ik denk dat ik heel opgeruimd ben.
Stefan: Ga ik zo even checken.
Ludy Schmidt: Moet je zo checken bij mijn team. Ik ben heel opgeruimd, denk ik. Dus thuis ben ik zeker vrolijk. Zeker ook in mijn jonge jaren hoor, voordat ik gescheiden ben. Dan kwam ik op vrijdag thuis en kreeg ik mijn zoon in mijn handen, tot zondag. Ik herken het verhaal van Gerard, want ook als bataljonscommandant: als je overdag bij je mensen en op oefening wilt zijn, is het ideaal als je binnenwoont. Overigens komt mijn vrouw hier ook meestal één avond per week. Ik heb gelukkig een tweepersoonsbed en een ruime kamer. Maar goed, dat is een beetje het spel: hoe we daar ruimte voor creëren. Zo'n grote baan als deze, ja, dat is zo. Ook in de weekenden. Je zei net: ik stond op de boot. Dat is heel normaal en dat hoort erbij, denk ik. Daar heb je in je afweging ook rekening mee gehouden, met je partner en eventueel je gezin.
Stefan: Oké. Ik ken jou niet goed, nu een stukje beter. Ik ken je van dat Keti Koti-diner. En ik merkte op dat jij op de boot stond bij de Pride. Is dat een van jouw nevenfuncties, of is dat een van jouw taken zoals die verdeeld zijn tussen de CDS en jou?
Ludy Schmidt: Eigenlijk gaan we om beurten, dus het is niet echt een vaste taak. Maar het is wel iets wat ik belangrijk vind. Kijk, wij beschermen wat ons dierbaar is, zeggen we toch altijd? Nou, dat begint met onze vrijheid van meningsuiting. Met dat iedereen gelijk is. Dat je mag zijn wie je wilt. Daar begint het mee. En misschien is dat nog een stukje restant van die idealistische Ludy van vroeger: dat ik dat belangrijk vind, dat ik het wil uiten en er een plek aan wil geven. Daar komt het vandaan.
Stefan: Maar dat eis jij op? Dat stukje?
Ludy Schmidt: Nee. Ik doe daar heel veel in, en dat is prima als het past. Maar Onno wil dat ook en heeft dezelfde overtuiging, wees gerust. En nu, bij de boot, was hij met verlof. Als ik met verlof was geweest, was hij er geweest. En dan was ik er niet geweest.
Stefan: Jij zegt dat je aan de reacties die je dan telefonisch, per app of hoe dan ook krijgt, de waardering merkt voor de aanwezigheid van Defensie, en ook dat jij er bent. Kun je schetsen wat daarin rondgaat? Wat voor berichten krijg je? Speciaal over de Pride.
Ludy Schmidt: Het gaat erom dat wij bevestigen dat ze bij ons een veilige plek hebben. Dat voor ons iedereen gelijk is. En dat we dat niet alleen met de mond belijden in een stukje tekst, maar het ook zijn, zichtbaar zijn en aanspreekbaar zijn op die waarde. Bij de een is het wat emotioneler dan bij de ander. Maar er zijn mensen die soms jarenlang in de kast hebben gezeten of zich verstoppen, die daar toch hoop en steun uit putten. En dat ging verder dan ik had gedacht. Maar dat moet je je dan wel realiseren: dat je daar een positie in hebt, en dat je het dus ook op die manier kunt doen. Het bevestigt me alleen maar in de overtuiging dat — net als met mijn toespraakje op Keti Koti — ik er gewoon moet zijn. Laten zien waar ik voor sta en wat we vinden. En dat het de top van de krijgsmacht is die dat vindt.
Stefan: Is dat om een nieuwe markt aan te boren, qua werving?
Ludy Schmidt: Voor mij is dat het laatste waar het om gaat. Voor mij is het eerste: beschermen wat ons dierbaar is. Als wij waarden en normen exporteren naar Afghanistan, laten we ze dan ook hier naleven. Of als wij Europa willen beschermen, voor democratie en vrijheid, dan moeten we dat zelf ook uitdragen in wie we zijn als defensieorganisatie. Dat is één. Het tweede is: als je dan redenen zoekt, is mijn ervaring dat gemengde teams veel krachtiger zijn — sneller, beter, kwalitatief hoogwaardiger, creatiever — dan allemaal vijftigjarige mannen in een kamertje. Blank, vijftig jaar, man, allemaal met dezelfde KMA-achtergrond. Ik geloof er heilig in dat een gemengd team beter is. En ja, het is ook zo dat Nederland voor vijftig procent uit vrouwen bestaat, en dat er andere groepen zijn waarvoor we het ons niet kunnen permitteren om er niet voor te staan. En dat merk je ook in gesprekken met mensen uit de regenbooggemeenschap, bijvoorbeeld afgelopen weekend: zij vinden dat ze het recht hebben om te kunnen dienen. Ze willen kunnen dienen. Dat is iets heel anders, Stefan. Zij zeggen: "Ik wil militair kunnen zijn." Of — er waren toevallig twee agenten — "Ik wil agent kunnen zijn in Nederland. Ik wil die bijdrage kunnen leveren." En dat vond ik heel mooi om te zien: dat mensen dat als hun recht beschouwen.
Stefan: Ja. Jij zegt: we willen het niet alleen in woorden belijden, maar ook in daden. Denk je dat dat gaat lukken?
Ludy Schmidt: Ik denk dat we het doen. Ik denk dat het altijd beter kan, en dat we echt nog wel wat actiepunten open hebben staan. Als je praat over diversiteit en inclusie en de operatieplannen, het operational design dat er ligt: dat moet ieder jaar weer concreter. Maar daar zitten we wel bovenop.
Stefan: Ja, oké. Hé, als jij door de stad loopt, hè? Als generaal. Hoe oud ben jij?
Ludy Schmidt: Ik ben nu 59.
Stefan: O, dus je moet nog even.
Ludy Schmidt: Ja, een jaar of drie. Maar: niet moet. Mag.
Stefan: Ja, sorry. We mogen dienen, natuurlijk. We willen dienen, we mogen dienen. Stom. Sorry, Ludy, ik moet scherper zijn. Maar als jij afscheid gaat nemen... Ik sprak gisteren iemand die twee jaar uit dienst is, en we hadden het over het uiterlijk van een militair. Die dingen op je, dit en weet ik wat. Hoe denk jij het leven tegemoet te gaan als je dat niet meer hebt? Als je bij de bakker binnenkomt en niet iedereen zegt: "Maak plaats, er komt een generaal. Geef hem een wit, want hij moet oorlog voeren." Gechargeerd, maar... Hoe denk jij die tijd tegemoet te gaan? Zou er sprake zijn — en dat is natuurlijk pas over drie jaar — van een zwart gat?
Ludy Schmidt: Niet op dat gebied. Weet je, ik denk dat het uiterlijk, wel of geen uniform, daarbij niet uitmaakt.
Stefan: Je rang vind jij niet belangrijk?
Ludy Schmidt: Niet zo, denk ik, nee. Ik denk wel dat het zwarte gat mogelijk komt in de vorm van zingeving: iets te doen hebben [?], waarde toevoegen. Ik vind dat ik waarde kan toevoegen aan deze organisatie. Dat ga ik denk ik wel missen: dat dat stukje er niet meer is. Dat je jarenlang, iedere keer op een ander niveau, hebt kunnen bijdragen — hoop ik, denk ik — aan iets groters dan jezelf. Dat ga ik denk ik missen. Maar niet […].
Stefan: Een voordeel van een generaal met zijn netwerk is natuurlijk dat hij, als hij met pensioen is, waarschijnlijk vaker gevraagd wordt dan de gemiddelde podcastmaker om advies te geven, ambassadeur te worden of wat dan ook.
Ludy Schmidt: Dat kan. Ik heb er nog niet over nagedacht.
Stefan: Heb je nu veel nevenfuncties?
Ludy Schmidt: Nee, ik heb niets meer. De tijd slokt alles op. Alle verenigingen waar je lid van bent, al dan niet defensiegerelateerd, heb ik steeds verder afgebouwd. Eigenlijk nu alleen nog sluimerend, verder niks actiefs meer.
Stefan: Oké. We gaan van de hak op de tak, hoor. Maar als je hogerop wilt, in de rangen, dan vraagt dat aanwezigheid in Den Haag.
Ludy Schmidt: Anders is er een natuurlijke grens, bedoel je?
Stefan: Nou ja: als jij gewoon met je poten in de klei wilt staan, in positieve zin, dan kun je niet hoger stijgen dan majoor of zo?
Ludy Schmidt: Nee, ik denk dat je dan kolonel kunt worden. Misschien zelfs generaal.
Stefan: Nou, ik ken niet zoveel mensen, maar zijn daar voorbeelden van?
Ludy Schmidt: Ik zeg het tegen je, dus ik zit even te denken of we die hebben. Kolonels wel, denk ik. Je noemde net Gerard van Kuijck.
Stefan: Ja, maar dat is natuurlijk—
Ludy Schmidt: J4 (hoofd logistiek) geweest bij SOCOM (Special Operations Command), maar dat is niet echt het Haagse spel. Maar ik zou het andersom willen benaderen. Ik denk dat ik een betere bataljonscommandant was omdat ik de ervaring in Den Haag had: met de complexe krachtenvelden en hoe het spel hier gespeeld wordt. Het heeft me breder leren denken, waardoor ik in de gemeenschap rondom de gemeente Ermelo, bij de opheffing van het 45e, een heel andere rol kon spelen. En dat ik voor mijn bataljon de juiste dingen van de brigade en van de staf van de landmacht kon krijgen.
Stefan: Ja, zo had ik het nog niet gezien.
Ludy Schmidt: Dus ik zie het ook andersom.
Stefan: Ja, je weet wat de politiek wil en hoe ze dat willen bereiken, en dat kun jij dan weer vertalen naar degenen die voor je staan.
Ludy Schmidt: Ook. Maar ook gewoon het krachtenveld: hoe werkt dat in zo'n gemeente? Hoe krijg je in zo'n regio de juiste steun voor je mensen? En wat hebben zij van jou nodig? Ik denk dat je er heel veel aan hebt om dat hier te leren. Je hoeft geen fan van Den Haag te worden, en je hoeft hier niet je hele leven te blijven. Maar het een keer echt ervaren, in plaats van alleen van de buitenkant... En ik heb geleerd dat je hier verschil kunt maken, ook als jonge officier.
Stefan: Ja. Ik hoor natuurlijk de verhalen van mensen die zeggen: "Ik heb helemaal geen zin in Den Haag. Ik wil gewoon bij die jongens in de bosrand zitten. En als dat ten koste gaat van mijn rang: het zal mijn worst wezen."
Ludy Schmidt: Dat begrijp ik heel goed.
Stefan: Ja, maar zoals jij het uitlegt — dat je het net andersom kunt vertalen en dat duidelijk kunt maken aan degenen die aan jouw zijde of achter je gaan vechten — dan zou dat te mooi zijn.
Ludy Schmidt: Misschien daar nog even op door, want daar hebben we toch een probleem. Dat gaat ook over je onderofficieren. Als bataljonscommandant had ik twee gouden onderofficieren — ik ga ze niet bij naam noemen — die echt geen stafadjudant wilden worden. Dat willen we echt niet, joh. Dat moeten we niet willen [?].
Stefan: Stafadjudant, wat is een stafadjudant?
Ludy Schmidt: Dat is zeg maar de command sergeant major, die naast de bataljonscommandant, de brigadecommandant of de Commandant Landstrijdkrachten staat. Dat zijn de adjudanten die de belangen van onze soldaten en onderofficieren behartigen, zodat die ook op het hoogste niveau invloed hebben.
Ludy Schmidt: Nou, deze twee vaklui, topcollega's, wilden geen stafadjudant worden, maar vonden er wel wat van. Ze hadden hele goede ideeën over hoe dingen beter konden. Nou, daar moet je mee in gesprek. En deze twee mannen zijn stafadjudant van eenheden geworden, en ze zijn nu echt van enorme waarde voor ons. Dat moeten we ze vertellen. Moet het? Nee, dat hoeft helemaal niet. Als je het niet wilt, moet je het niet doen. Maar zie ook de waarde van jezelf in als je op die positie echt invloed kunt uitoefenen, want daar draait het om. Zonder de mening en invloed van die oudere onderofficieren, die vaklui, zitten we in een ivoren toren en zie ik stippen bewegen. Dan weet ik niet wat er echt aan de hand is.
Stefan: Nou ja, ik heb Ad Koevoets [?] geïnterviewd. En wat ik mooi vond: zo iemand... wat was hij? Adjudant van de krijgsmacht of zo? Krijgsmachtadjudant?
Ludy Schmidt: Landmachtadjudant, volgens mij.
Stefan: Dat hij dus zijn onderofficiersonderscheidingstekens houdt, maar wel hoger betaald krijgt.
Ludy Schmidt: Dat is de stap die je dan naast de commandant [?] maakt.
Stefan: Dat vind ik mooi. Dat je die mensen [?] niet, zoals vroeger, officier maakt. Nee: blijf gewoon waar je bent, maar zie op je loonstrook dat je daarvoor beloond wordt.
Ludy Schmidt: En kijk eens welke invloed Ad binnen de landmacht heeft gehad. Binnen de hele landmacht, niet alleen ergens onderin. Omdat hij die stap gemaakt heeft. En hij is echt niet de mooie jongen, de mooie stafofficier. Dat is hij helemaal niet. Dat is gewoon een keiharde onderofficier, met alles erop en eraan.
Stefan: Fantastisch. En met die dingen, hoe heet dat ook weer? Van die koorden.
Ludy Schmidt: Nestels?
Stefan: Geen idee. Nestels? Kijk even naar Menno, die weet waarschijnlijk bijna alles. Ik zie als burger, als belastingbetaler — ik betaalde geen belasting, maar dat is een lang verhaal — een kwalijke ontwikkeling bij de landmacht, bij de krijgsmacht in het algemeen. Namelijk dat onderofficieren worden overgehaald om naar het bedrijfsleven te stappen, en dat het bedrijfsleven ze dan weer verhuurt om mensen op te leiden. Klopt dat?
Ludy Schmidt: Ik denk niet helemaal. Ik denk dat een deel van onze onderofficieren, maar ook onze korporaals, de dienst verlaten heeft of in een fase van hun leven zit — met een of twee kindjes — waarin het even moeilijk wordt. Waarin de vrouw een paar keer tegen je zegt: "Hé jongen, ik weet niet wat je aan het doen bent, maar 33 weken op oefening, misschien moeten we dat niet doen." Ik denk dat ze een andere plek zoeken om hun bijdrage te leveren. Dat kan bij de ANWB [?] zijn, of als logistiek manager. Het kan ook als instructeur zijn bij een van de organisaties die ons helpen. Dus ik zie het minder als wegkopen.
Stefan: Nou, niet zozeer wegkopen in de zin dat ze er geld voor krijgen, maar dat ze secundaire arbeidsvoorwaarden krijgen die, als ze die afzetten tegen de dienst... "Ik ben elk weekend vrij, ik hoef niet meer op oefening, ik heb geen uitzending meer en ik krijg meer betaald."
Ludy Schmidt: Dat laatste is denk ik niet waar. Zeker niet.
Stefan: Weet ik niet, want ik spreek als leek.
Ludy Schmidt: Ik denk dat het laatste niet waar is, maar het zou kunnen. Die secundaire arbeidsvoorwaarden zijn er wel, en die passen beter bij die fase in hun leven. Dat denk ik wel. Kijk, in de carrière van een onderofficier bij ons kun je een aantal jaren instructeur zijn; dat kan echt, en dat lukt ook. Maar niet zo lang. Niet acht jaar achter elkaar of iets dergelijks.
Stefan: Kun je niet meer doen dan je doet? Of zit er nog ruimte in, financieel? Want als ik zeg: geef die lui nou in plaats van een medaille gewoon, weet ik veel, duizend netto extra... "Nee, maar dat vinden militairen helemaal niet belangrijk." Ja, koekoek, denk ik dan.
Ludy Schmidt: Als je naar ons salarisstrookje kijkt — wat we er de afgelopen vier jaar bij hebben gekregen, en hoe we dat meer in de lagere rangen dan in de hogere rangen hebben verdisconteerd — dan denk ik dat we een zeer competitief salaris hebben. En de oefentoelagen zijn fors, laat ik het zo zeggen. Zet ze maar eens naast elkaar. Ik ben wel benieuwd; misschien is dat er een om zelf uit te zoeken, om het even naast elkaar te zetten. Dus ik denk niet dat het in het salaris zit. Wel in: hoeveel uren, wat doe je in de weekenden, waarom moet je zo vaak op oefening of op uitzending, en hoe zit dat dan? Ik denk dat dat een rol speelt, en daar moeten we attent op zijn. Ik noemde net het voorbeeld van langer in de onderbouw in de omgeving van je legerplaats blijven. Misschien moeten we daar later ook meer mogelijkheden voor vinden, als we dat niet al doen — want ik sta er een beetje ver vanaf [?]. Maar ik vind het ook niet erg dat we met dit soort organisaties flexibele ondersteuning in die rol vinden.
Stefan: Ja. Ik heb ooit een zaak in Amsterdam verbouwd, en daar werd ik vreselijk opgelicht door mijn aannemer. Toen kwam er een bouwinspecteur van de gemeente die zei: "Stefan, let op. Die muur die hij nu gezet heeft — wat ik gezegd heb, daar heeft hij […] niet. Hup, haal die muur weg." Nou, op een vrijdagmiddag komt hij en zegt: "Stefan, mijn baan gaat eraan. Er is geen geld, dus ik ben weg." Ik zeg: "Dat kan niet, want ik heb jou nodig." Terwijl hij eigenlijk van de tegenpartij was, van de gemeente. Twee weken later staat hij gewoon weer binnen. "Ik ben er weer." Ik zeg: "Hoe kan dat nou? Er was toch geen geld?" Zegt hij: "Nee, maar als zzp'er, uit een ander potje." Is dat een beetje te vergelijken?
Ludy Schmidt: Nee, ik denk dat het om iets anders gaat. Ik denk dat die jongens hun werk nu op een andere manier doen. In plaats van 33 weken per jaar op oefening heb je een veel meer gereguleerde week. Je doet opleidingen van tien weken achter elkaar. Misschien heb je daar ook wel eens avonddienst; ik weet niet precies hoe dat bij hen werkt. Maar dat is iets anders dan operationeel zijn.
Stefan: Maar aan de andere kant ben je ook militair, en heb je ervoor gekozen.
Ludy Schmidt: Ik denk dat het altijd in hun DNA blijft zitten, altijd een beetje in hun buik. Ik denk dat als het morgen echt spannend wordt, ik ze zo zie terugkomen.
Stefan: Ja, denk je dat?
Ludy Schmidt: Ik denk het wel. Ik denk dat zij willen bijdragen. Ik weet het niet zeker, maar het zijn allemaal hele fijne collega's, hoor. Er zitten echt jongens tussen die gewoon hele goede instructeurs zijn. Ik ken een aantal mensen die de dienst uit zijn gegaan, en ik denk: je was vroeger een topgozer, dus waarom nu niet? En als het echt spannend wordt en er morgen echt iets gebeurt in het oosten, kan ik me niet goed voorstellen dat zij lesjes blijven draaien op school. Maar dat is een aanname, Stefan. Ik weet het niet. Dat zou ik gewoon met hen moeten bespreken. Ik heb geen idee.
Stefan: Maar het zou kunnen — ik weet helemaal niet hoe dat zit — dat je die lui reservist maakt met een bepaalde status. "Jongens, als het echt is, hebben we je echt nodig." En dat ze daarop aanslaan, op het feit dat er een beroep op ze gedaan wordt. Hoe belangrijk is een medaille voor een militair?
Ludy Schmidt: Weet ik niet.
Stefan: Hoe belangrijk is een medaille voor jou geweest? Hoe belangrijk is dat?
Ludy Schmidt: Het is de waardering die Nederland je geeft voor wat je voor ons land gedaan hebt. En wat ik misschien wel het belangrijkste vind aan een medaille, is dat de maatschappij, de samenleving, Nederland die medaille aan de militair geeft. Ook al doet de minister van Defensie het, zo zou ik het willen formuleren, en zo is het ook. Het is de blijk van waardering van Nederland, van de regering, van onze samenleving, voor onze mannen en vrouwen. Dat gaat niet over de missie of het doel waarvoor je het doet, maar over hoe hij of zij in dat theater het werk gedaan heeft. Zo zou ik het willen lezen. En dan is het heel belangrijk.
Stefan: Oké. Hoe belangrijk vind jij het in het algemeen om mensen te belonen? Want je hebt nog andere dingen, bijvoorbeeld […], gratificaties. Hoe belangrijk is dat, en waar ligt de grens?
Ludy Schmidt: Ik vind dat je verschil moet durven maken. Ik zeg bewust: durven maken.
Stefan: Als leidinggevende die het toekent.
Ludy Schmidt: Daarbij moet je wel goed kijken wie echt dat voorbeeldgedrag laat zien, of wie die uitzonderlijke inspanning levert. Maar dat moet je durven belonen, en wat mij betreft zichtbaar. Dus voor de troep, met het juiste verhaal over waarom je het doet en wat je ermee wilt laten zien. Dus ik vind dat we dat zeker moeten doen.
Stefan: Maar wordt dat vanuit Defensie gestimuleerd?
Ludy Schmidt: Zeker. Ja, volgens mij wel.
Stefan: Want weet jij bijvoorbeeld hoeveel Willems-Ordes er in Nederland door de eeuwen heen zijn uitgereikt?
Ludy Schmidt: Geen idee.
Stefan: Je kent de laatste drie. En in totaal zijn het er zesduizend.
Ludy Schmidt: Zo, dat zijn er veel meer dan ik dacht.
Stefan: Ja, ik ook. Dat betekent dat, doordat er de laatste tijd — weet ik veel, de laatste twintig jaar — zo weinig zijn uitgereikt, de lat ontzettend hoog ligt. Terwijl in Atjeh... daar is het gelukkig niet bij gebleven. Ik was gisteren op Bronbeek. Kanonnen, jongen, niet te geloven. Allemaal uit Atjeh meegenomen. Niet dat ze daar als zoete broodjes over de toonbank gingen, maar de grens lag gewoon wat lager. En nu ligt hij zo hoog. Dan moet je echt... Iets levensreddends? Dan moet je wel heel veel levens redden. Of heel veel inzicht hebben laten zien op het slagveld. Wil je daar komen? Snap je? Dan kalft dat af en wordt het een Kruis van Verdienste. Snap je een beetje wat ik bedoel? Jij zit natuurlijk niet in dat traject, dat weet je niet.
Ludy Schmidt: Nee. Ik heb er twee [?].
Ludy Schmidt: Ik vind het wel bijzonder, want die zesduizend wist ik echt niet. Dat komt natuurlijk omdat ik in een tijd zit waarin er maar drie zijn. En ik ken er nog een paar uit de Tweede Wereldoorlog en Indië, omdat je die vroeger wel eens ontmoette toen je nog heel jong was. Nee, ik wist het niet.
Stefan: Ik heb [naam] geïnterviewd. Dat was een soldaat, een rode baret. Die was acht maanden uit de opleiding toen hij naar Afghanistan ging. Hij redde het leven van een kerel door hem in een Rautekgreep te nemen en weg te slepen. En toen ze terugkwamen op het kamp, bleek hij één of twee kogels in zijn scherfvest te hebben. Negentien jaar later pas — 10 september aanstaande, in de Witte Kapel in Schaarsbergen — krijgt hij zijn Kruis van Verdienste.
Ludy Schmidt: Dan zijn we daar ter plekke misschien wat minder attent op geweest. Zonder dat ik daar een waardeoordeel over heb.
Stefan: Nee, maar het verbaast me. Dan denk ik: je moet durven onderscheiden, weet je wel.
Ludy Schmidt: Normaal gesproken — wat ik weet van onze commissie die zich daarmee bezighoudt — doen ze het echt supervoorzichtig en heel goed. Maar goed, dat weet je.
Stefan: Nee. Wat wens jij Nederland toe voor de komende tijd? In ieder geval de tijd dat jij nog de baas mag dienen, of de vlag, of de koning — hoe noemen we dat als militair? Wat dien je? Het ministerie?
Ludy Schmidt: Nou ja, ik denk: Nederland.
Stefan: Nederland.
Ludy Schmidt: Ik zou zeggen: Nederland dienen. Nou: dat het rustig blijft in het oosten. Dat het rustig blijft in het oosten. Dat we misschien weer terugkeren naar de situatie van vijftien jaar geleden — en het klinkt heel raar wat ik nu ga zeggen — waarin we bezuinigden op Defensie, omdat het kon.
Stefan: En hoe reëel denk je dat dat is?
Ludy Schmidt: Niet reëel. Die kans acht ik extreem klein. Dat is hoop. Nou goed, ik ben een redelijke realist, en daarnaast zit ik op een informatiepositie die best goed is. Dus ik verwacht niet dat ik dat in mijn tijd ga meemaken. Eerder andersom. Ik denk dat we allemaal samen heel erg de schouders eronder moeten zetten om Nederland en de krijgsmacht klaar te maken. Zodat we kunnen afschrikken, om te voorkomen dat we moeten vechten.
Stefan: Zitten we goed op schema? Of zit jij goed op schema? Zitten jullie goed op schema?
Ludy Schmidt: Ik denk dat we bijna op ons maximale groeivermogen zitten. Ons budget is de afgelopen vier jaar verdubbeld. Je kunt zeggen: dat gaat over geld, en alles is duurder geworden. We zijn inmiddels 82.000 mensen groot. We groeien als een malle. Alleen heeft dat allerlei groeipijnen tot gevolg voor de mensen in de organisatie. Onderofficieren hebben we te weinig. Met hetzelfde bestand aan mensen met vijftien tot twintig jaar ervaring moeten we anderhalf keer zo groot worden. We zijn allerlei nieuwe dingen aan het doen: drones, counter-drone, electronic warfare, AI. Hoe gaan we dat allemaal incorporeren? Die verandering moet allemaal in de hoofden en handen van onze mensen terechtkomen. Anders is het alleen ijzer, of nulletjes en eentjes. Die mensen maken het levend. Nou, dat vraagt echt enorm veel van onze mensen.
Stefan: Sluit eens positief af, met wat dan ook.
Ludy Schmidt: Nou ja, weet je, ik kan alleen maar zeggen dat ik heel trots ben dat ik deel mag uitmaken van deze krijgsmacht, van deze defensieorganisatie. Ik denk dat we, van jong tot oud, iedere dag weer laten zien dat wij bereid en in staat zijn om te beschermen wat ons dierbaar is.
Stefan: Dank je, Ludy, en keep up the good work. […]